FDND Docs

Onderwijs

Studentbegeleiding

Dit document beschrijft hoe wij door middel van afnemende sturing in de studentbenadering toewerken naar het ontwikkelen van een professionele identiteit gericht op zelfregulatie.

Checkpoints

Regulier worden checkpoints afgenomen op vrijdag, dit kunnen deel- of leertaken zijn. Checkpoints in semester 1 worden strak georganiseerd aan de hand van verschillende werkvormen. In semester 2 en 3 is sprake van afnemende sturing en worden studenten steeds meer geacht zelfstandig checkpoints te organiseren. Op maandag of woensdag is ruimte voor uitzonderingen, bijvoorbeeld voor studenten die er op een vrijdag niet konden zijn.

Checkpoints gaan altijd over de gedragscriteria. Ontvangen feedback wordt door studenten zelf in feedpulse opgenomen. Er zijn regels voor het schrijven van feedback, zie daarvoor het kopje hieronder.

Docenten controleren de feedback en waarderen de inzet van studenten in de korte periode waar het checkpoint over gaat met een smiley. Smileys hebben geen connectie met het assessment of met summatieve beoordeling en vormen dus puur inzicht in hoe het op dat moment met de student gaat. Onder het kopje waardering staat in detail uitgelegd waar de smileys precies voor staan.

Feedback schrijven

Direct na het bijwonen van een checkpoint maakt de student daarvan verslag in Feedpulse PortFlow van het betreffende semester. In dit verslag kan de student de volgende punten gebruiken:

  • Wat betekent de gedragsindicator in relatie tot de opdracht?
  • Neem een link op naar je wiki of code.
  • Beschrijf waarom dit goede bewijslast is voor deze gedragsindicator.
  • Heb je een leervraag?
  • Wat kreeg je voor feedback van de docent?

Studenten schrijven feedback in correct Nederlands.

Feedback waarderen

Als studenten feedback in Feedpulse hebben geschreven, dan lezen docenten dit aandachtig door en waarderen de inzet van iedere student op het niveau van gedragsindicatoren met een smiley. Deze smileys geven aan hoe de docent de inzet/activiteit/aanwezigheid van de student in betreffende periode ervaart. Deze waardering is geheel formatief en staat niet in relatie tot het assessment. Een voordeel van deze formatieve waardering is dat zowel studenten als docenten inzichtelijk hebben hoe het met de studiehouding van de student staat. Waar nodig kan dan bijgestuurd worden. Deze formatieve waardering is altijd een momentopname en kan per week/opdracht/sprint veranderen. Hieronder een grove indicatie voor het gebruik van smileys:

  • 😁 inzet is goed
  • 🙂 inzet is in orde
  • ☹️ student is uit beeld
  • 🫥 er is nog geen reflectie op deze indicator in deze periode

Als docent bevestig je de feedback door een kort berichtje te typen. Je kunt dan aangeven of het in orde is of dat de student nog een belangrijk punt van feedback gemist heeft.

Verhouding checkpoints assessments

Doel van deze verandering is onderscheid te kunnen maken tussen formele, beoordelende assesments en programmatisch toetsen waarbij studenten een cijfer krijgen op basis van hun portfolio en reflectie in Feedpulse.

  • Alles in orde en lekker op weg: beoordeling aan de hand van portfolio en een presentatie als overgangsmoment tussen fases in de opleiding.

  • Docenten hebben twijfels: Formeel criteriumgericht interview (assessment) aan de hand van de gedragscriteria om die twijfels weg te nemen

Todo: Hoe zorgen we voor meer ruimte bij de roostering van assessments.

Assessments

Bij FDND is het assessment hét summatieve toetsinstrument. Assessments vinden, met uitzondering van het eindassessment, plaats in week tien van ieder blok. Bij elk assessment ontvangt de student, mits ze die met een voldoende behaald, 15EC. Haalt de student het assesment niet dan is er mogelijkheid voor reparatie aan het eind van de eerstvolgende of daarop volgende sprint.

Per semester zijn er twee assessments, bij de endterm toont de student aan het leerresultaat te beheersen en bij de midterm laat de student zien onderweg te zijn naar het te behalen leerresultaat. Jaarlijks zijn er dus vier summatieve toetsmomenten, gezamenlijk 60EC, die een oordeel geven over de leergang van studenten.

Assessments worden voorbereid door het beoordelen van het ontwikkelportfolio van studenten. Bij de voorbereiding houden assessoren de richtlijnen in acht.

Richtlijnen voor het geven van feedback

Geef een beknopte beschrijving van de bewijslast, noem hierbij de bewijslast expliciet en maak deze vetgedrukt. Hier zit nog geen mening in verwerkt maar is een feitelijke beschrijving van wat je aantreft.

Loop door de facetten van de indicator en benoem welke onderdelen bewezen zijn, hierin ligt feitelijk de beoordeling. Afhankelijk van de volledigheid van de bewijslast zijn er twee opties:

Optie 1: Er zijn nog niet bewezen facetten van de indicator

Selecteer ‘hier is nog wat werk nodig’ (0 punten), dit betekent dat de bewijslast voor deze indicator nog niet volledig is. Benoem vervolgens in in het commentaarvak de facetten van de indicator die nog niet bewezen zijn. Formuleer vragen op basis van de nog niet bewezen facetten van de indicator zodat de student tijdens het assessment de mogelijkheid heeft deze aan te tonen.

Optie 2: De bewijslast is volledig

Selecteer afhankelijk van de kwaliteit van de bewijslast ‘Op cesuur’ (1 punt) of ‘Ophoging’ (2 punten). Als de bewijslast op cesuur is maar je als assessor vermoed dat er reden is voor ophoging kan je vragen formuleren om te polsen of ophoging terecht is.

Tijdens het assessment

Notulen zijn heel belangrijk! Allereerst biedt het de student de mogelijkheid de strekking van het gesprek terug te lezen. Daarnaast wordt bij steekproeven van de toets- of examencommissie én bij de accreditatie de kwaliteit van het FDND toetsproces afgemeten aan de validiteit, betrouwaarheid en transparantie. Kortom, de waarde en bewijslast van het gesprek moeten gereflecteerd worden in de notulen per indicator zodat duidelijk wordt waar het oordeel op gebaseerd is.

In het advies onderaan het formulier benoem je na het gesprek de kracht van de student en algemene zaken die je opvallen, wellicht heb je nog wat tips voor de volgende periode. Ook kan je hier belangrijke leervragen van de student herhalen zodat deze in een helder overzicht te vinden zijn.

Reparatie?

In het geval van een reparatie beschrijf je per indicator wat gerepareerd moet worden en een suggestie hoe de student dit aan kan tonen. Dit doe je door het nummer van de indicator op te nemen en er achter te noteren wat je verwacht, bijvoorbeeld:

  • 3.5.1: Ga mailinglijsten volgen en écht artikelen lezen. Neem inzichten of een samenvatting op in jouw i love web-site.
Portfoliotoets (programmatisch toetsen)

Programmatisch toetsen houdt in dat veel formatieve, low-stake meetpunten gezamenlijk voldoende inzicht bieden in de voortgang van studenten. Studenten leggen hun bewijslast per indicator tijdens deze meetpunten vast in hun ontwikkelportolio. FDND maakt hiervoor gebruik van PortFlow.

In de laatste sprint voorafgaand aan het assessment worden door de squad-leader en co-teacher(s) van een squad alle ontwikkelportfolia doorgenomen. Bevindingen worden als draft vastgelegd in het beoordelingsformulier in DLO. Deze portfoliotoets is indicatief voor het type assessment wat een student zal afleggen. Er zijn twee vormen assessments.

Presentatie

Als squad-leader en co-teacher(s) gedurende de portfoliotoets oordelen dat de student op niveau is, dan volgt summatieve beoordeling op basis van een presentatie over de verhouding van de bewijslast tot het leerresultaat. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een onvoldoende volgt maar uitzonderingen zijn natuurlijk mogelijk.

De student bereidt een presentatie voor op basis van het samengestelde ontwikkelportfolio, aan de hand van de gedragscriteria, en demonstreert in 10 minuten het leerresultaat te beheersen. Docenten nemen daarna 10 minuten voor het stellen van vragen en tenslotte 10 minuten voor het definitief vaststellen van een summatief oordeel.

Criterium gericht interview

Als squad-leader en co-teacher(s) gedurende de programmatische toetsing twijfelen over het niveau van de student omdat er onvoldoende bewijslast bij bepaalde criteria/indicatoren is dan volgt een criterium gericht interview. Assessoren nemen 30 minuten om het CGI voor te bereiden. Ze stellen op basis van het draft in DLO vragen op om de hiaten in de bewijslast aan de kaak te stellen. De student kan tijdens het interview meer inzicht geven en dus bewijs leveren voor de ontbrekende onderdelen.

De voorbereiding voor de student is hetzelfde, deze bereidt een presentatie voor op basis van het samengestelde ontwikkelportfolio, aan de hand van de gedragscriteria. In plaats van een presentatie wordt de student gedurende 20 minuten geïnterviewd over de hiaten in diens bewijslast. Daarna nemen de assessoren 10 minuten voor het definitief vaststellen van een summatief oordeel.

Organisatie

Wat doen tribe-leaders qua schema en wanneer kan dit verwacht worden door studenten en docenten.

Checkpoints blok 1

Voor blok 1 hebben we een beknopte beschrijving van de manier van invullen van de checkpoints. Dit om het principe afnemende sturing goed invulling te geven in deze cruciale fase van de studie.

Sprint 1

In groepjes van 12 met een docent, in de eigen squad

Alles gescript en voorgekauwd, we gaan nu reflecteren op indicator X, die indicator houdt in dat je …, je kunt bijv. dit en dit zeggen. Daarna indicator Y, die indicator houdt in dat je …, je kunt bijv. dit en dit zeggen. Onder begeleiding van een docent, geleide feedback sessies.

Sprint 2

In groepjes van 5, in eigen squad, docent loopt rond Indicatoren gescript waar we op feedbacken, tijd inplannen per indicator. In groepjes, vragen wat de indicator betekend, na een rondje geeft de docent toelichting en wordt gereflectered. Dan door naar de volgende ronde.

Sprint 3

In duo’s, neem telkens 15 mins om te reflecteren op een indicator. Bespreek eerst wat de indicator betekent.

Zeggen dat ze gaan reflecteren op indicatoren.

Aanspreken op niveau

Aan de hand van het artikel Concept to Code van Ryan Betts (2017) spreken wij gedurende de opleiding studenten aan op een steeds complexer niveau.

Semester 1: The enthusiast

Enthusiasts understand the principles of code, and no more. They may have tried their hands at writing code once or twice, but didn’t necessarily enjoy it—at least not yet. Most importantly, they understand the thought and process that goes into writing code. Remember when you were first exploring user experience? Enthusiasts can:

  • grok the vocabulary
  • understand basic programming concepts
  • engage in meaningful conversations about development

We gaan er van uit dat studenten gedurende de eerste sprints enthousiast zijn en spreken ze op dat niveau aan. Aanspreken op enthousiasme, proberen, durven en fouten maken is oké. We laten ze zien hoe het moet, we geven voorbeelden en verwijzen daarbij naar de bronnen die bij die voorbeelden horen. We houden ons voornamelijk aan de materie die bij de lessen behandeld is tenzij we merken dat studenten meer aan kunnen. Het is prima als een 2e jaars student letterlijk voor doet wat de bedoeling is. Het is prima om een keyboard-takeover te doen. Dit is het semester van nadoen en spiegelen.

Student: Waarom werkt hover niet? Docent: In dit artikel staan de verschillende states toegelicht. Je hebt geen <a> gebruikt voor de link en dat moet wel. Hier, ik laat even zien hoe dat werkt…

Gedragsindicator 1.5.2 Maakt aangeboden materie eigen en gebruikt dit bij leertaken.

Semester 2: The mash-up artist

Further along the continuum are the mash-up artists—people whose code curiosity has blossomed. They’ve learned enough about code and feel comfortable enough to start playing with it. Mash-up artists are able to:

  • read and understand short blocks of code
  • articulate the basic differences between languages
  • cut, paste, and make small alterations to code
  • use code to communicate pieces of functionality

Studenten ontwikkelen zich naar de mash-up artist en we spreken ze meer en meer op dat niveau aan. Aanspreken op nieuwsgierigheid, verwijzen naar bronnen die in lessen genoemd worden. Vragen of ze al zelf bronnen consumeren (mailinglists). Geen voorgekauwde voorbeelden meer bij zelfwerkzaamheid. Geen keyboard-takeovers door docenten maar liever samen een breakdown schets maken om inzicht te verkrijgen. Studenten die in paniek slaan helpen op S1 niveau maar dit wel benoemen.

Student: Welke tag moet ik hier gebruiken? Is een <span> of en <div> beter? Docent: Geen idee? Zoek eens op MDN wat het verschil is en laat me weten welke je gaat gebruiken…

Gedragsindicator 2.5.2 Maakt aangeboden en zelf gevonden materie eigen en gebruikt dit bij leertaken, deelt ervaring binnen de squad.

Semester 3: The inventor

The inventor is well equipped for an environment where UX best practices are non-existent or in a constant state of flux. The inventor knows:

  • at least one language enough to write code from scratch
  • what is and is not possible in a language
  • the difference between good and bad code
  • how much effort is required to make changes to code
  • how to code a prototype of anything

Een Inventor beheerst de principes van het web en voelt zich comfortabel in het omarmen van nieuwe technieken. Aanspreken op vindingrijkheid. Bij het leren van een tool of framework worden studenten gestimuleerd zelfstandig de documentatie door te lezen. Tijdens de lessen worden voorbeelden gegeven maar vooral de abstractere principes uitgelegd. Studenten volgen de documentatie van de frameworks zelf en krijgen in leertaken geen stapsgewijze instructie meer. Als studenten een probleem ervaren zoeken ze eerst zelf naar oplossingen of bespreken ze dit met teamleden voor ze naar de docent stappen. De docent stelt zich altijd onderzoekend op en doet niet alsof ze de waarheid in pacht hebben, alles in contingent. Keyword: RFTM! Read the fine manual…

Student: Wat moet ik doen? Docent: Wat denk je dat je moet doen? Is er een tutorial om Sveltekit te leren?

Gedragsindicator 3.5.2 Maakt aangeboden en zelf gevonden materie eigen, gebruikt dit bij leertaken, deelt ervaring binnen de squad en leert van anderen.

Semester 4: Zelfregulatie

Studenten bewijzen zelfstandig dat ze het leerresultaat beheersen. Docenten praten over het bewijsmateriaal en bijbehorende indicatoren. Inhoudelijke hulp halen ze bij jaargenoten, op het internet of bij professionals. Als ze oplossingen vinden die het delen waard zijn brengen ze dat in de groep. Docenten verwijzen naar de groep.

Gedragsindicator 4.5.2 Maakt zelfstandig nieuwe materie eigen, gebruikt dit bij beroepstaken, deelt ervaring met belanghebbenden en leert van anderen.

Bron: Betts, Ryan, Concept to code, Ux Magazine, 2017, https://uxmag.com/articles/concept-to-code

Bron: Grootendorst, Annemiek, Professionele Identiteit ontwikkelen gedurende de hbo-opleiding, 2019, HRO

Werken aan projecten

Studenten werken vanaf het eerste jaar in sprint 2 doorlopend aan projecten voor echte opdrachtgevers. Elke sprint start met een sprint planning. Bij de sprint planning begeleiden de coaches de studenten bij het werken aan de projecten.

Opzetten project

Repo met backlog klaarzetten.

Opdrachtgever

Briefen, user stories/taken bedenken, backlog, content verzamelen, design (figma)

Coach

User stories/taken in backlog zetten (baseren op figma),

Sprint planning

Structuur, tips & tricks, werkvormen

sprint 2

Kennismaken met de opdracht en het project. Briefing / Debriefing, user stories/taken

Sprint 8

Content first, data modellering, api, cms

Sprint review

Structuur, tips & tricks, werkvormen

FDND Agency

Repo, backlog, release candidate